Het leven vroeger
(Select your language:)
Slapen
Onze voorouders waren kleiner van gestalte dan wij (in 1863 gold voor soldaten in het leger een minimum lengte van slechts 1.55 meter), daarom waren de bedden korter. Bovendien sliepen de mensen vroeger, geholpen door veel kussens en peluwen, in een meer opgerichte houding dan nu. Volgens sommige historici deed platliggen teveel denken aan de dood.
Arme dagloners, arbeiders en vissers woonden vaak in kleine huisjes die uit maar twee kamers bestonden. Veel plaats om te slapen was er dan ook niet. Bij grote gezinnen was het een kwestie van inschikken. De kleinste kinderen sliepen met zijn vieren of vijven dwars in een bed of in een kist. Grotere jongens en meisjes sliepen vaak in de stal, zolder of kelder.
Tot in de 18e eeuw sliepen mensen vaak samen in een gemeenschappelijke ruimte. Van enige privacy was er in het geheel geen sprake. Zelfs in herbergen bestond de gewoonte dat vreemden bij elkaar in bed kropen. In veel huizen stond het bed gewoon midden in de huiskamer, zonder alkoof of beschermende gordijnen. In de smalle alkoven die vanaf de 16de eeuw hun intrede deden, konden ternauwernood twee mensen heel dicht tegen elkaar liggen. Pas rond de 19de eeuw verhuisden de bedden naar een aparte slaapkamer met deur en slot.
terug naar menu
Eten
Warm eten bestond eeuwenlang vooral uit `ketelkost': eenvoudig voedsel dat in één pot werd bereid, zoals brij, pap of hutspot met brood.
De hoge graanprijzen in de 18de eeuw dwongen de armen om aardappels te gaan eten en langzaam maar zeker verdrong de
aardappel brood en pap van de eerste plaats.
Koffie en thee werden populair. In de 17de eeuw waren ze al
bekend, maar werden ze vooral gedronken door de rijken.
Mensen gingen ook 'fatsoenlijk' eten. Lange tijd had men genoeg aan één mes en één lepel om te eten. Het voedsel bevond zich ook in één pan of pot. In deze periode kwam daar verandering in. De mensen kregen betere tafelmanieren, ze gingen drinken uit eigen bekers en glazen en eten met bestek. Ook besteedden ze aandacht aan dekken van de tafel. De vork raakte in de 18de eeuw algemeen in gebruik.
De smaak van mensen veranderde ook. De voorkeur
voor zurig en kruidig boog om in de richting van zoet. Dit verklaart de opmars van de suikerfabrieken in heel Nederland.
In deze periode at de Nederlander twee keer per dag brood en één keer warm, meestal 's avonds. Naast brood was pap populair en de pannenkoek natuurlijk. De warme maaltijd varieerde van een stevige stamppot tot een in aparte pannen gekookte maaltijd van aardappelen, verse groente en vers gebraden vlees met jus, al dan niet voorafgegaan door soep en afgesloten met een toetje.
Aan de andere kant was er ook sprake van smaakvervlakking: onder invloed van de vele huishoudscholen, waar ook meisjes uit de hogere burgerij op zaten, verdwenen de kruiden, uien en knoflook uit voorraadkasten om pas aan het einde van de twintigste eeuw weer terug te komen.
terug naar menu
Sanitair
Privacy bij het toiletgebruik is iets dat we pas kennen sinds de uitvinding van de moderne, op riolen aangesloten wc.
Daarvoor werd er op het platteland gebruik gemaakt van meerpersoons latrines. De mest die via de latrine in een beerput terecht kwam, werd door de boeren over het land gestrooid. Deze mest werd gezien als een vruchtbare zege voor het land.
In de steden en dorpen werd gebruik gemaakt van de sloten, vlieten etc. en het heeft lang geduurd voor de mensen zich bewust werden van de risico's die hieraan verbonden waren.
Het met micro-organismen besmette beervocht sijpelde vaak in nabijgelegen waterputten en kon zo tyfus of cholera
veroorzaken. De mensen dachten toen dat de besmetting veroorzaakt werd door de stank. Pas veel later, in de 19de eeuw, werden de echte verantwoordelijken (namelijk bacteriën) ontmaskerd.
terug naar menu
Partnerkeuze
In alle milieus werd het huwelijk vooral beschouwd als een belangenkwestie en pas in de tweede plaats als een gevoelskwestie. Naast de liefde lieten de trouwlustigen zich in belangrijke mate leiden door de materiële welvaart van de toekomstige schoonfamilie.
Huwelijkspartners waren bijna altijd afkomstig uit dezelfde sociale klasse. Mensen zochten hun partner bij voorkeur in de eigen woonplaats. Je ontmoette elkaar op het werk, op feesten en bij kermissen of bedevaarten. De rijken waren noodgedwongen wat mobieler omdat het vaak moeilijk was om een geschikte
(vermogende) partner te vinden in de eigen woonplaats. Wie toch een partner zocht buiten de eigen dorpskern ging niet verder dan in een straal van zo'n 10 km. Als een meisje een vriend had uit een ander dorp, werd deze nieuwkomer vaak als een vreemde vogel gezien. Hij moest zich tegenover de plaatselijke huwelijkskandidaten verdedigen en vechtpartijen waren aan de orde van de dag.
terug naar menu
Onwettige kinderen
De meeste onwettige kinderen kwamen voor in de volksklasse (dienstmeiden, dagloonsters, spinsters en fabrieksarbeidsters). Deze vrouwen lieten bij een huwelijksbelofte sneller hun principes varen in de hoop door het huwelijk hogerop te komen. Dienstmeiden waren bovendien vaker aan seksueel misbruik blootgesteld. Ze waren direct afhankelijk van hun baas waardoor ze handtastelijkheden moeilijk konden afwijzen.
In de zelfstandige beroepsklassen kwamen nauwelijks onwettige kinderen voor. De dochters van ambachtslieden werkten in de winkel van hun ouders en de dochters van boeren werden ingezet op de ouderlijke boerderij. Ze bleven, in tegenstelling tot de dienstmeiden en dagloonsters, thuis wonen en ontsnapten dus niet aan de ouderlijke controle.
Ook kregen meisjes uit rijkere families een chaperonne mee om te waken over hun maagdelijkheid.
De toekomstperspectieven voor ongetrouwde moeders waren niet rooskleurig. Zwangere vrouwen deden er daarom alles aan om hun verleider alsnog te strikken voor een huwelijk. Slaagden zij daar niet in, dan werden ze het mikpunt van spot en meestal kwamen ze in een vicieuze cirkel van werkloosheid en armensteun terecht. Slechts zo'n 40% van de ongehuwde moeders slaagde erin om na de bevalling alsnog te trouwen. Veel vrouwen verhuisden naar de stad
om hun familie de schande te besparen en de zwangerschap voor hun directe omgeving te verbergen. Sommige ongehuwde moeders raakten aan lager wal en kwamen in de prostitutie terecht.
Vanaf 1890 deden anticonceptiemiddelen hun intrede en daalde het aantal onwettige kinderen.
terug naar menu
Huwelijk
Vanaf de Middeleeuwen heeft de Kerk het monopolie over het huwelijk gehad. In de latere Middeleeuwen en de nieuwe tijd ontwikkelden zich allerlei bewegingen die de invloed van de Kerk op het huwelijk probeerde te verminderen. Het was wachten tot in de 18de eeuw voordat er meer concrete plannen gemaakt werden.
Velen kozen echter nog voor een kerkelijk huwelijk, maar dat moest dan wel plaatsvinden nadat het verplichte burgerlijke huwelijk was ingezegend.
Veel voorrechten hadden vrouwen in die tijd niet, maar huwelijken werden bijna altijd gesloten in de woonplaats van het meisje.
terug naar menu
Vernoemen kinderen
Vroeger was het gebruikelijk om kinderen te vernoemen naar familieleden. Daar waren strikte gewoonteregels voor, welke door de bevolking gebruikt werden.
Hieronder volgt een opsomming van de regels:
Bij een zoon:
1e zoon vernoemd naar grootvader - vaders vader
2e zoon vernoemd naar grootvader - moeders vader
3e zoon vernoemd naar oom - vaders oudste broer
4e zoon vernoemd naar oom - moeders oudste broer
5e zoon vernoemd naar oom - vaders 2e broer
6e zoon vernoemd naar oom - moeders 2e broer, enz. enz.
Bij een dochter:
1e dochter vernoemd naar grootmoeder - moeders moeder
2e dochter vernoemd naar grootmoeder - vaders moeder
3e dochter vernoemd naar tante - moeders oudste zus
4e dochter vernoemd naar tante - vaders oudste zus
5e dochter vernoemd naar tante - moeders 2e zus
6e dochter vernoemd naar tante - vaders 2e zus, enz. enz.
Er waren uitzonderingen op die regels. Bijvoorbeeld dat overleden familieleden, uit een andere generatie als het kind, de prioriteit bij het vernoemen hadden.
terug naar menu
Echtscheiding
Tot de 20ste eeuw was het overlijden van één van de huwelijkspartners de meest voorkomende vorm van
huwelijksontbinding. Echtscheidingen kwamen vrijwel nooit voor.
De Kerk beschouwde het huwelijk als een heilig sacrament. Er waren echter wel twee alternatieven, namelijk de nietigverklaring en de scheiding van tafel en bed. Het grote nadeel van scheiding van tafel en bed was dat de
partners gehuwd bleven en dus niet konden hertrouwen en kon bovendien alleen worden toegestaan door een kerkelijke rechter. Op grond van overspel en later op grond van ernstige slagen en verwondingen, ketterij en onverenigbaarheid van karakters werd in een enkel geval een scheiding toegestaan.
Met de invoering van het burgerlijk huwelijk werd ook de echtscheiding via de wet geregeld. Het aantal feiten waarop een echtscheiding werd toegestaan werd beperkt tot overspel, gewelddaden en mishandelingen en veroordeling tot een vernederende straf.
Vanaf de jaren dertig van de 20ste eeuw werden de toelatingsvoorwaarden voor een scheiding versoepeld dankzij gewijzigde maatschappelijke normen, de emancipatie van de vrouw en het besef dat ingewikkelde procedures scheidingen
niet afremmen.
terug naar menu
Hertrouwen
Tot ver in de 19de eeuw werden huwelijken eigenlijk alleen maar ontbonden door de dood. Na het overlijden van de partner hertrouwde men soms.
Mannen hertrouwden sneller dan vrouwen. Zo'n derde deel van de mannen hertrouwde binnen een jaar na het overlijden van hun echtgenote.
Het rouwproces van de weduwen duurde langer, ongeveer negen maanden en moest publiek gemaakt worden. Bij weduwen golden er afspraken en codes betreffende de kledij en sociale contacten.
Hoe landelijker de gemeente, des te langer wachtten de weduwen om te hertrouwen, waarschijnlijk omdat de sociale controle in kleine, landelijke gemeenten veel groter was.
Een tweede rem op het hertrouwen van weduwen was de kinderlast. Hoe meer kinderen een vrouw had, hoe langer het duurde voor ze opnieuw trouwde. Ook de leeftijd van de kinderen speelde een rol. Vrouwen, die het alleen financieel konden beredderen, hertrouwden niet zo snel en gaven de voorkeur om te gaan inwonen bij de volwassen zoon of schoonzoon.
De weduwestaat bracht vaak een verslechterde materiële positie met zich mee, maar was ook een bevrijding voor de vrouw. De gehuwde vrouw was rechteloos, terwijl de weduwe
het beheer over het vermogen en de voogdij over de kinderen kreeg.
Een derde belemmering voor een tweede huwelijk was de negatieve houding van de samenleving ten opzichte van het
hertrouwen van weduwen. De kerk was dan ook geen voorstander van een tweede huwelijk, vooral niet van weduwes. Hertrouwen bij weduwnaars was meer geaccepteerd. Zij konden de zorg voor de kinderen gebruiken als reden voor een tweede huwelijk. Er rustte immers een taboe op arbeid van een man in het huishouden.
terug naar menu
Levensverwachting
Aan het einde van de 20ste eeuw was de gemiddelde leeftijd bij het overlijden van een man ca. 75 jaar en van een vrouw ca. 80 jaar. Rond het midden van de 17de eeuw was dit slechts 25 jaar.
Met 45 jaar was je toen oud. Dit had te maken met de hoge kindersterfte, ondervoeding, gebrekkige geneeskunst, epidemieën enz.. Tegen het einde van de 18de eeuw bedroeg het gemiddelde 30 jaar en rond 1850 zo'n 35 jaar. Rond 1900 was de gemiddelde levensverwachting opgelopen tot zo'n 45 jaar.
In het eerste levensjaar liepen pasgeborenen het grootste risico om te overlijden. Dit is tot ver in de 19de eeuw zo gebleven. Rond 1850 stierf tussen de 15% en 25% van de pasgeboren kinderen in hun eerste levensjaar. Het overlijdensrisico was ook voor peuters zeer hoog. Van elke 100 kinderen overleed nog eens 5% tot 10% voordat
ze vijf jaar oud waren. Kinderen van ongeschoolde arbeiders liepen een hoger risico om te sterven dan kinderen uit de hogere sociale lagen (gegoede burgerij, beambten).
terug naar menu
Begrafenis
In het voorjaar van 785 verbood Karel de Grote het verbranden van doden. Alleen bij epidemieën of na grote veldslagen was het nog toegestaan. Vanaf dat moment werden lijken begraven. Aanvankelijk buiten de nederzettingen, maar later werd vanwege het geloof de voorkeur gegeven aan begraven in of bij de kerk.
In het begin werden alleen belangrijke inwoners en geestelijken begraven in de grafkelders van kerken. Pas enkele honderden jaren
later werd het ook voor anderen mogelijk om zich in de kerk te laten begraven. De voorkeur ging uit naar een rustplaats zo dicht mogelijk bij het altaar, waarvan de heiligheid af zou stralen op de overledenen. Vanwege de kosten lag dat echter niet voor iedereen binnen handbereik.
Mensen met minder geld kwamen in een
gemeenschappelijke grafkelder. De allerarmsten werden buiten de kerk begraven, op de mindere plaatsen van het kerkhof. Zelfmoordenaars en ongedoopte kinderen werden helemaal op afstand gehouden, zij mochten niet in gewijde grond liggen. Dit was de reden dat pasgeboren kinderen zo snel mogelijk na hun geboorte gedoopt moesten worden (liefst nog op dezelfde dag).
Het begraven in de kerk gebeurde niet altijd even zorgvuldig. Geruimd werd er niet, dus de kerken raakten overvol. Vanwege het plaatsgebrek kon niet elke overledene een eigen graf krijgen en werden leden van één familie onder dezelfde steen begraven. Overleed er iemand uit een familie, dan werd het graf geopend zodat het lichaam kon worden bijgezet. Dit zorgde voor een doordringende stank in de kerk. Door het herhaald oplichten van de stenen, verzakten bovendien de vloeren waardoor niet alle grafstenen goed meer aansloten. Het gevolg was dat er in de kerken, bij warm weer, permanent een lijkenlucht hing.
Door de bevolkingsgroei, een groeiend besef van hygiëne en het gevaar van besmetting gingen er rond 1800 steeds meer stemmen op om het begraven in de kerk te verbieden. In Nederland werd het begraven in de kerk tijdens het Franse bewind (1795-1813) officieel verboden door Napoleon. Maar het oude gebruik bleek zo sterk geworteld, dat het besluit direct na het vertrek van de Fransen in 1813 weer ongedaan werd gemaakt.
Pas in 1829 vaardigde koning
Willem I opnieuw een verbod uit. Gemeenten met meer dan 1.000 inwoners moesten vanaf dat moment een begraafplaats aanleggen buiten de bebouwde kom. Particulieren mochten ook een privébegraafplaats aanleggen. Verschillende adellijke families maakten van deze mogelijkheid gebruik. Tegelijk met het verzet tegen het begraven in en rond de kerken, ontstond er een hernieuwde interesse voor crematie.
terug naar menu
Bronnen: Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Het geheugen van Nederland, Wikipedia