Maassluis

De naam is vermoedelijk ontstaan door een nederzetting bij de sluizen van Maasland. Enkele kabeljauwvissers met hutjes en een wachtershuisje langs de dijk. Het was een half uurtje landinwaards lopen via een vliet en langs de Gaag om in Maasland te komen.
Vermoedelijk was ‘Maeslantsluys’ een snel groeiende nederzetting van enig belang, want in 1365 was er al een veerverbinding met Brielle en in de jaren 1643-1646 werd een trekvaart gegraven tussen Maassluis en Delft. De groei was voornamelijk te danken aan migratie vanuit het omliggende platteland.
Maeslantsluys, dat bestuurlijk onder Maasland viel, werd in 1614 een zelfstandige gemeente en kreeg volgens overlevering in 1811 stadsrechten. Het eigen verzoek van Maassluis om zich stad te mogen noemen dateert van december 1813. Het koninklijk besluit waaruit dit blijkt dateert van 18 februari 1814. Er kan echter geen document gevonden worden waaruit blijkt dat Maassluis al in 1811 stadsrechten heeft verkregen.

Er werd voor het eerst melding gemaakt van een veerdienst in Maassluis in de 14e eeuw. (Veerdienst Maeslandtsluys en Den Briel). In 1728 zorgde landaanwas in de Maasmond ervoor dat er 2 veren moesten gaan varen, nl. een veer Brielle-Rozenburg en een veer Rozenburg-Maeslandtsluys. Het overbruggen van de afstand tussen beide veren werd met voermans- of wagenveer gedaan, wat een uur duurde.
In november 1891 werd op de veerverbinding Maassluis-Rozenburg een stoomboot ingezet. Het was de eerste veerboot met radar aan boord op de Nieuwe Waterweg.

De zee was de voornaamste bron van inkomsten voor de inwoners. In de zestiende eeuw kreeg de in Maassluis gevestigde haringvisserij een enorme impuls door de grote vraag naar zoute haring in het Oostzeegebied. Naast de haringvisserij werd ook op zalm, kabeljauw en schelvis gevist. De jongens gingen mee aan boord als zij tussen de tien en 14 jaar waren.
De haven, oorspronkelijk gegraven als uitwatering van de sluizen, is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van Maassluis.

In het vissersdorp Maassluis was vrijwel de gehele bevolking werkzaam in de visserij of in de gerelateerde handel en nijverheid. Zo kende het dorp een groot aantal zeil- en scheepmakers en touwslagers welke buiten de dijk aan de haven hun bedrijf hadden.
Aan de dijk, die door Maassluis loopt, stonden diverse herbergen, waaronder de stadsherberg 'de Moriaen' (1), die onderdak aan reizigers boden, waar stuurlieden hun bemanning inhuurden en teruggekeerde zeelieden hun verdiende geld verteerden.
Men woonde in het centrum welke binnendijks lag en waar twee vlieten door liepen. Naast de stenen woningen stonden hier ook houten woningen met stro bedekt.

In 1625 werd het College van de Kleine Visserij in Maassluis opgericht door toedoen van de plaatselijke dominee die zeer met de visserij begaan was.

In 1675 werd het weeshuis aan de Noordvliet geopend.

In 1688 kwam bij het Gilde een verzoek binnen van de vishandelaren te Maassluis om een naschrijver (zie Oude beroepen) bij de visafslag aan te stellen.

In de 17e eeuw kwam er een verordening van het Hoogheemraadschap Delfland aan de inwoners van Maassluis dat het afgelopen moest zijn met het vervuilen en dumpen van afval in het Noordspui, waardoor dit spui niet alleen minder diep werd, maar ook de daarin aanwezige vis stierf (o.a. kwekerij prikvissen=aas). Men gooide er as, traanolie, zand, stinkpotten (2) en dergelijke in.

In 1774-1776 was in Maassluis (en Vlaardingen) de psalmenoproer na het invoeren van een versnelde zingtrant en een nieuwe berijming van de psalmen. In 1776 werd een verzoek van de magistraat (ambachtsvrouwe van Maasland en Maassluys Anna Arnoldina van Boetzelaer) aan de Staten van Holland gedaan om alle opgepakte en veroordeelde inwoners amnestie te verlenen.
Er waren vijf mensen gearresteerd (de rest van de "oproerkraaiers" waren gevlucht) en het hele dorp in staat van beschuldiging gesteld wegens ‘verregaande oneenigheeden tussen de Ingezeetenen van de Ambagstheerlijkheid van Maassluys over de wijze of maat van het Psalmgezang in de Gereformeerde Kerken der gemelde Heerlijkheid’. In de jaren daarvoor was het zingen van de nieuwe psalmberijming aanleiding geweest voor hevige confrontaties in het diepgelovige Maassluis. De ene helft van de protestantse gemeente was voor het zingen van de nieuwe psalmberijming, de andere helft was tegen. Bij gevechten in en rond de kerk waren aan beide zijden zelfs gewonden gevallen. De Kerkeraad kwam nog met een tussenoplossing maar dit mocht niet baten.
Om hun problemen op te lossen wendden de partijen zich tot de Staten van Holland. Die bepaalden, op advies van stadhouder Willem V, dat de gemeente zich voortaan zal moeten schikken in de ‘nieuwe zangwijze’ en dat het onder druk zetten van ‘mede-ingezetenen over de wijze van het zingen der Psalmen in hunne huizen of elders’ zwaar zal worden beboet. Vier van de ergste oproerkraaiers werden uit de stad verbannen. Ook werd benadrukt dat de amnestie éénmalig is.

Vanaf het derde kwart van de achttiende eeuw kreeg Maassluis echter te maken met een periode van teruggang. Het aantal schepen nam af en de werkgelegenheid verminderde. Armoede onder de bevolking was het gevolg.

De opening van de Nieuwe Waterweg in 1872 vormde een nieuwe impuls voor de economische opleving van Maassluis. Door de nieuwe verbinding met zee maakte de sleepvaart in Maassluis een grote bloei door. Daarnaast werd Maassluis een belangrijk knooppunt voor de maritieme berichtgeving langs de Nieuwe Waterweg. Ook kwamen visserschepen uit Scheveningen naar Maassluis om er hun lading te lossen: tot 1904 had Scheveningen namelijk geen eigen haven.

In tegenstelling tot ander vissersdorpen gaf men in Maassluis als beroep zeeman op. Het maakte niet uit of ze schipper, stuurman of een andere functie aan boord hadden. Daarom is de werkelijke functie aan boord alleen nog maar te achterhalen uit de monsterrollen.

In de twintigste eeuw verdween de visserij echter vrijwel geheel uit Maassluis, onder andere door een zwakke concurrentiepositie.

Het dialect in Maasluis is een subdialect van het Maashollandsch dialect. De tongval van Maassluis komt nagenoeg geheel met die van Vlaardingen overeen (zingend, a=æ, flauwe h). In sommige opzichten echter is het dialect nog ouderwetser dan het vlaardings. Zo geeft men er in vele woorden, vooral als de nadruk er niet op valt, aan de ij een klank tussen de oude, oorspronkelijke lange i en een onvolkomene i in, net als in Scheveningen; bv. ongeveer rik voor rijk, dik voor dijk, enz.

De religie van de bewoners was voornamelijk Protestants.

Foto's/ansichtkaarten:

Maassluis, veerstraat
Ansichtkaart Veerstraat (Dhr. v.d. Gaag)

(1) De 'Moriaen' was een stadsherberg in Maassluis. Het heeft een belangrijke sociale functie in Maassluis gehad vanaf de 16e eeuw tot aan de afbraak in 1939. De Moriaanskop aan de gevel van de 'Moriaen' is behouden gebleven en prijkt nu aan de gevel van een café aan de haven met de naam De Moriaan.
(2) Stinkpotten zijn aardewerken potten voor een deel gevuld met zwavel, zwart buskruit, nagels, en schoot terwijl het andere deel was gevuld met schadelijke materialen ontworpen om een zeer onaangename geur te verspreiden wanneer zij worden ontstoken. Een aantal van deze bommen waren verpakt in katoenen zakken en werden vervolgens gehesen in de mast. Bij een aanval van een vijandelijk schip klom een van de bemanningsleden in de mast en stak ze aan. De stinkpotten werden vervolgens losgesneden en belanden op het dek van de vijand. De daaruit voortvloeiende lawaai, rondvliegende brokstukken en geur was hopelijk voldoende om de aanval af te slaan.

Bronnen: Gemeentearchief Maassluis, Geschiedenis van Zuid-Holland, De Gechiedenis van Maassluis, Historische vereniging Maassluis, Maassluise Courant, DBNL, Encyclopedia, wikipedia, Legermuseum Delft

  • HOME
  • Historie