Oude beroepen

Aardwerker: Een arbeider die grondwerk verricht (grondwerker).
Afhouder: Het jongste lid van de bemanning van een drijfnetvisser, in het algemeen belast met het vrijhouden en/of opschieten van de reep (=touw waaraan de visnetten worden vastgemaakt). Na een aantal teelts (=haringvangsten) werd hij reepschieter.
Armenjager: Door het bestuur aangesteld om een gebied vrij te houden van landlopers, vagebonden en deserteurs. Goedschiks of kwaadschiks.
Armenmeester: Persoon uit het kerkelijk armenbestuur welke de zorg had voor de armenkas, het bijhouden van het armenregister en overdracht van de goederen.
Baanspinner: Lijnslager in een touwslagerij (touwslager).
Baanwachter: Iemand die een deel van de spoorbaan bewaakt.
Baker: Oppasster eener kraamvrouw en pasgeborene (min, kraamverpleegster).
Barbier: Kapper, baardscheerder, chirurgijn.
Blikslager: Iemand die voorwerpen van blik maakt en repareert.
Bode (Gemeentebode): Afgezant, boodschapper, bediende, dienaar, pedel in dienst van de overheid.
Boekverkoper: In het verleden was een boekverkoper tevens boekdrukker.
Bouwman/-vrouw/-knecht: Iemand die het land bebouwt, bewerkt, een landbouwer.
Burgemeester: Van oorsprong iemand uit de burgerij om de bestuurlijke functies van de drukbezette schout over te nemen. Burgervader. Nu het hoofd van een gemeenteraad, benoemd door de koningin.
Chirurgijn: Iemand die alle bewerkingen aan het lichaam van de mens met een scherp werktuig verricht. Voortgekomen uit de barbier en voorloper van de huisarts.
Commies (te water): Douanebeambte, ambtenaar der belastingen.
Commissionair: Iemand die in opdracht van andere goederen inkoopt.
Daglo(o)ner/-ster/-huurder: Arbeider zonder vaste betrekking die per dag betaald werd.
Dienstbode/-meid/-maagd: Iemand die bij een ander in loondienst is om huishoudelijke taken te verrichten.
Dijkbode: Beambte die onder meer aanzeggingen doet en gelden ophaalt voor een dijkbestuur
Grofsmid: Smid die groot smeedwerk vervaardigt.
Grondwerker: Verricht eenvoudige graaf- en grondwerkzaamheden waarvoor geen speciale kennis vereist is.
Hoefsmid: Een smid die gespecialiseerd is in het smeden van hoefijzers en het er mee beslaan van paarden.
Hooploper: Hulpje van matroos op VOC schepen (veelal wezen).
Hui(j)swerk: Werk dat in het algemeen op stukloon-basis betaald en thuis verricht wordt met aan de thuiswerker verstrekt materiaal.
Kastelein: Waard, herbergier, kroegbaas.
Koetsier: Voerman, man die een met paard of ossen bespannen wagen bestuurt.
Koperslager: Maakt gebruiksvoorwerpen en siervoorwerpen van koper en messing (bijvoorbeeld kandelaars, paraplubakken maar ook dakbedekking).
Kuiper(-sknecht): Maakt of helpt bij het maken en repareren van houten kuipen, vaten, tonnen en fusten o.a. omleggen van duigen (= ijzeren of soms houten ringen om het samengestelde vat heen). Werkt in een kuiperij of vatenfabriek.
Landman/-vrouw: Dorpeling, huisman, boer, buitenman.
Ligtmatroos: Laagste rang voor dekpersoneel (ten minste 15 jaar oud), onervaren matroos.
Magistraat: Overheidspersoon, stadsbestuur (veelal gebruikt voor burgemeester).
Mandenmaker: Iemand die manden vlecht.
Milicien: Militair.
Naschrijver: Boekhouder van de visafslag.
Nettenboeter: Iemand die beroepshalve netten hersteld. Nettenknoper.
Opperman: Arbeider, die in de bouw zorg draagt voor tijdige aanvoer van materiaal en hulpmiddelen voor de metselaar, timmerman, enz. Hij zorgt dat de steen en de specie op tijd klaar staat bij de te metselen muur. Verder verricht hij allerlei simpele klussen, zoals opruimen, vegen enz.
Particulier(e): Een zelfstandige die zichzelf verhuurt voor bepaalde tijd.
Polderwerker: Grondwerker, werkzaam bij de aanleg en het onderhoud van dijken en polders.
Reepschieter: Jonge opvarende van een drijfnetvisser die bij het inhalen van de vleet belast is met het opschieten (opruimen) van de reep in het reepruim. Net een tikje hoger dan een afhouder.
Rietdekker: Iemand die daken met riet bedekt. Veelal een beroep van vader op zoon.
Scheepsmeter: Ambtenaar, die schepen opmeet en de ijkmerken inbeitelt of brandt.
Schepenen: Bestuurders van een ambacht. De voorloper van de huidige wethouders.
Scherprechter: Beul, is traditioneel de uitvoerder van door overheidswege opgelegde lijfstraffen en aangesteld om ter dood veroordeelden te executeren. Vaak een beroep van vader op zoon. Door anatomische kennis verdienden zij veelal bij als chirurgijn.
Schipper: Eigenaar of gezagsvoerder van een klein schip.
Schout: Voorzitter van de schepenen, een rechtstreekse vertegenwoordiger van de heer der heerlijkheid, rechterlijk ambtenaar, die in civiele zaken rechtsprak, hoofd van een ambacht. De voorloper van de huidige burgemeester.
Schrijnwerker: Houtsnijder, meubelmaker, timmerman.
Schutter: Gewapend burger, soldaat der burgerwacht.
Straatwerker: Straatwerkers hielden zich bezig met het transport van goederen van schepen naar de afleveradressen.
Stuurmansmaat: Oude benaming voor stuurman uit de tijd van de bomschuiten aan boord van visserijschepen. De benaming van schipper was toendertijd stuurman. Zijn 2e man en vervanger was de stuurmansmaat.
Tichelwerker: Legger van tichels (vlakke dakpannen), dakbedekker.
Touwslager: Een ambachtsman die garens tot touw verwerkt. Ook wel lijndraaier of zeeldraaier genoemd.
Veldwachter: Beambte van de veldwacht; politieagent van het platteland.
Visroeper: Verkondigde de verkoop op de visafslag aan.
Visventer: Iemand die langs de straat vis verkoopt.
Vishandelaar: Zowel een visboer (verkoper vanaf vaste plek) als een viskoper (koopt vis in).
Voerman: Koetsier, man die een met paard of ossen bespannen wagen bestuurt.
Waard: Herbergier, kastelein, kroegbaas
Wagenmaker: Iemand die wagens (karren) maakt, repareert
Waterschout: Politieambtenaar die toezicht houdt op scheepsvolk en de aanmonstering daarvan. (Ook wel 'Baljuw van de Zeezaken' of het 'Waterregt' genoemd).

  • HOME